Communicatie tips, ook te gebruiken na de kerst.

Communicatie tips, ook te gebruiken na de kerst.

Diegenen die mij goed kennen weten dat ik een enorme fan van de Correspondent ben, omdat ik onafhankelijke goed onderbouwde journalistiek belangrijk vind voor het functioneren van een democratie. Omdat ik een functionerende familie ook belangrijk vind, kon ik het niet laten om dit artikel van Luka Karssenberg met jullie te delen. Dit artikel is door de Correspondent gepubliceerd op 19 december 2018
Bernd Jansen namens Instituut Menz

Vijf tips om knallende ruzies tijdens de feestdagen te voorkomen.

  1. Je bent niet zo rationeel (als je denkt)

Standpunten over migratie, zakkenvullende politici of andere splijtzwammen zijn zelden afstandelijke, objectieve beschouwingen over hoe we onze toekomstige samenleving het best inrichten. Ze zijn doordesemd met emotie.

Voor een onderzoek kregen veertig proefpersonen een hersenscan terwijl hun diep gekoesterde standpunten aangevallen werden.

Hun neocortex, het deel van het brein waarin onze ratio huist, lichtte inderdaad op. Maar het waren vooral die delen van hun brein die verantwoordelijk zijn voor onze emoties die in actie kwamen. De amygdala bijvoorbeeld,

In dit eerdere artikel leg ik uit hoe de amygdala werkt. Het stukje van je brein dat verantwoordelijk is voor je angstreflex.

Als je argumenten hoort die ingaan tegen een diepgewortelde overtuiging, reageert je brein met gierende emoties en rinkelende alarmbellen. Onze standpunten maken deel uit van wie we zijn en als ze aangevallen worden, voelt dat als een aanval op onszelf. En hoe harder we ons aangevallen voelen, zo bleek uit dit onderzoek, hoe kleiner de kans dat we na het horen van tegenargumenten onze standpunten bijstellen.

We beschuldigen onze tegenstanders graag van onderbuikdenken. Maar als je aan de feestdis merkt dat er een bel heilige verontwaardiging in jou opwelt, besef dan dat ook jouw denken gegijzeld wordt door een oeroud stukje biologie.

Probeer je onderbuik tot bedaren te brengen en denk eerst even na voor je ten strijde trekt.

  1. Vertrouw niet op je kennis

Wat moet je doen als je wordt aangevallen? Je tegenstander informeren natuurlijk. Want hij verkondigt die verschrikkelijke meningen uiteraard alleen maar omdat hij niet precies weet hoe de vork in de steel zit.

Toch? Nee.

Als een verschil in feitenkennis aan de basis zou liggen van onze disputen, zouden onze standpunten vaker overeen moeten komen naarmate we meer kennis verwerven. Dat is zeker niet altijd het geval.

Dat ontdekte de Amerikaanse wetenschapper Dan Kahan. Hij bepaalde eerst de wetenschappelijke geletterdheid van zijn proefpersonen. Daarna vroeg hij hun in welke mate ze geloofden dat de menselijke CO2-uitstoot verantwoordelijk was voor de opwarming van de aarde.

Het resultaat was voorspelbaar. Hoe meer zijn proefpersonen wisten over wetenschap, hoe vaker ze de wetenschappelijke consensus geloofden.

Maar dat resultaat veranderde toen hij die proefpersonen opsplitste in Republikeinen en Democraten. Bij aanhangers van de Democratische partij was er nog steeds een recht evenredig verband tussen hun wetenschappelijke bagage en hun geloof in de wetenschappelijke consensus. Bij de Republikeinen, de partij van Donald Trump, had meer kennis juist het tegenovergestelde effect. Hoe meer ze wisten over wetenschap, hoe kleiner de kans dat ze geloofden dat de mens verantwoordelijk is voor de opwarming van de aarde.

Dat lijkt vreemd, maar zo werkt het bij ons allemaal. Zodra we denken vanuit zelfverdediging, smeden we alles wat we weten om tot wapens waarmee we onze positie verdedigen. En hoe meer wapens je bezit, hoe groter de kans dat je standhoudt.

Het zou goed zijn als mensen eerst alle relevante gegevens zouden verzamelen om pas dan, na lang en diep nadenken, een standpunt in te nemen. Heel vaak doen ze het omgekeerd. Ze nemen eerst een standpunt in en vervolgens gebruiken ze al hun kennis om dat standpunt te verdedigen. Alleen de feiten geven en dan verwachten dat je gesprekspartner het licht ziet en je volmondig gelijk geeft, is dus een beetje naïef. Maar wat kun je dan wel doen?

  1. Laat je schoonzus eerst haar talenten opsommen

Misschien kun je beter aan je oom, schoonzus of tante vragen of ze eerst hun talenten willen opsommen. Volgens onderzoek zorgt dat ervoor dat mensen sneller bereid zijn om hun standpunten aan te passen.

Door hen eerst te laten beschrijven hoe geweldig ze zijn, krik je hun zelfbeeld op. Ze voelen zich minder bedreigd en denken minder uit zelfverdediging.

Er is nog een manier om de zelfverdedigingsreflex van je tegenstander te sussen. Mensen zijn onverbeterlijke wij-zij-denkers. Zodra je discussiepartner jou ziet als een vijand is het enorm moeilijk hem nog uit de loopgraven te krijgen.

Waarom zou hij luisteren naar iemand van het andere kamp? Benadruk dus dat wat je met hem gemeen hebt.

Ik ga regelmatig in debat met anti-vaxxers, mensen die geloven dat vaccins tegen mazelen of de griep bijvoorbeeld vol zitten met vergif. Dat is nonsens. Er is ondertussen een stapel onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek waarin dat idee onderuitgehaald wordt.

Jammer genoeg laten fervente vaccinhaters zich niet zo makkelijk overtuigen. Ze vinden altijd wel een reden om die studies te verwerpen.

Al een tijdje volg ik een andere strategie. Ik zwaai nog steeds met dezelfde studies, maar voor ik dat doe vertel ik mijn verhaal. Ik werkte ooit, in een lang ver verleden, voor de farma-industrie. Na een jaar of tien ben ik daar opgestapt. Te veel turning disease into profit, te veel nadruk op de winstmarges, soms ten koste van de patiënten.

Als ik eerst dat verhaal vertel en pas daarna met mijn argumenten op de proppen kom, kan ik het standpunt van die anti-vaxxers soms wel aan het wankelen krijgen. Dan beschouwen ze mij als een van hen. Als iemand die het, net als zij, opneemt tegen de geneesmiddelenindustrie. En dus zijn ze bereid om naar mijn argumenten te luisteren en deze ernstig te nemen.

  1. Stel vragen

Nog een optie: geef eens geen argumenten, maar stel vragen. Dat bleek, volgens onderzoek, een effectievere strategie om je tegenstander aan het twijfelen te brengen.

Mensen hebben een enorm talent om verbeten een standpunt te verdedigen zonder dat ze ook maar iets weten over het onderwerp in kwestie. Dat onderbuikdenken kun je doorbreken door aan de feestdis vragen te stellen: wat bedoel je precies? Waarom ben je daar zo zeker van? Wat zal er gebeuren als we die maatregel effectief zouden invoeren?

Niet alleen voelt jouw discussiepartner zich daardoor gerespecteerd – hé, iemand luistert naar me – maar met wat geluk beseft hij dan ook dat de fundamenten van zijn overtuiging toch niet zo solide zijn als hij eerst dacht en durft hij zijn standpunten ter discussie te stellen.

En misschien kun je ook de onderbouwing van je eigen overtuigingen eens op het rooster leggen. Nee, je hebt het volledige IPCC-rapport niet gelezen voordat je je mening gaf over de opwarming van de aarde. En toen je beweerde dat je van glyfosaat kanker krijgt, was dat standpunt waarschijnlijk niet gebaseerd op een grondige analyse van alle relevante vakliteratuur.

Voor je aan de feestdis halsstarrig je mening verdedigt, is het geen slecht idee om even stil te staan bij het feit dat jouw overtuigingen misschien net iets minder gefundeerd zijn dan je zelf denkt.

  1. Wees je tegenstander dankbaar

Je tegenstander verplicht je om je beste argumenten boven te halen. Dat bleek uit onderzoek van psycholoog Philip Tetlock.

Hij gaf zijn proefpersonen de bewijsstukken van een aantal rechtszaken en vroeg hun om na te gaan of de verdachte al dan niet schuldig was, een oordeel dat ze ook moesten onderbouwen.

De helft van de proefpersonen kreeg te horen dat ze hun conclusie later moesten verdedigen tegenover een jury, de andere helft werd verteld dat niemand hun redenering kritisch zou doorlichten.

De argumenten van die laatste groep waren, zacht uitgedrukt, nogal zwakjes. Ze deden niet veel moeite om hun oordeel grondig te onderbouwen en hun redeneringen zaten vol kronkels en gaten. Waarom zouden ze ook hun best doen? Er was toch niemand aan wie ze verantwoording moesten afleggen.

De groep die wél dacht dat hun redenering zorgvuldig doorgelicht zou worden, deed het heel wat beter. De angst om door de mand te vallen, verplichtte hen kritisch naar hun eigen argumenten te kijken en alles uit de kast te halen om hun stelling zo goed mogelijk te onderbouwen.

Omdat jullie het niet met elkaar eens zijn, stijgt het niveau van het debat. Maar dat lukt alleen als je een tegenargument niet ziet als een aanval die gepareerd moet worden, maar als een aanzet om je eigen argumenten te verbeteren.

Als dat je lukt, wordt zelfs verliezen in een debat een vorm van winnen. Je hebt misschien geen gelijk gekregen, maar je hebt wel wat bijgeleerd.

En dus…

Constructief van mening verschillen, zeker over onderwerpen die je nauw aan het hart liggen, is niet eenvoudig. Het denken uit zelfverdediging zit diep ingebakken in ons brein. Maar het is niet omdat je onderbuik vaak het eerste woord heeft, dat je hem ook het laatste woord moet gunnen. Succes!

 

Over de auteur:

Luka Karssenberg schreef (voor De Correspondent) de bovenstaande tips voor goede discussie-voering. Hij dook het afgelopen jaar in de wetenschappelijke literatuur over meningsverschillen en schreef er een boek over.

Wil je meer achtergrondinformatie of ben je benieuwd naar de correspondent ? klik hier